There are two ways to make a sentence negative, depending on the type of words in the sentence.
Situatie 1: GEEN + Indirect object
! een = geen !
Is there an indirect object in the sentence? --> geen
(Add geen before the indirect object, or change een into geen.)
Most indirect objects are with een. Although, een is used for a / an / one. Some objects can't be counted (sugar; clothing), or it is in plural (kinderen; bussen). In that case, you have to look a bit harder to identify the indirect object.
Note that the indirect object could be together with an adjective: lang haar, mooie auto, groot huis.
- Wij hebben een vraag > Wij hebben geen vraag
- Zij willen een nieuw huis > Zij willen geen nieuw huis
- Ik heb kinderen > Ik heb geen kinderen
- Zij drinkt sterke drank > Zij drinkt geen sterke drank
Situatie 2: NIET + Preposition
Is there a preposition in your sentence?
--> Add niet before the preposition.
! This overrules the geen-rule !
- Ik reis niet met de bus
- Jij komt niet uit Nederland
- Zij woont niet in een appartement
- Het cadeau is niet voor jou
Situatie 3: NIET
Isn't there an indirect object in the sentence? --> niet.
Sentence order
But where do you place niet?
subject + verbum 1 + direct object + (tijd + NIET / manier + locatie) + adjectief + verbum 2
- Ik werk vandaag niet (vandaag = tijd)
- Jouw woonplaats is niet mooi (mooi = adjectief)
- Marjolein kan niet werken (werken = verbum 2)
- De cursist begrijpt de woorden niet (de woorden = direct object)
- Zij woont niet samen met haar partner (samen = manier)